Deze begrippenlijst verzamelt de begrippen die je tegenkomt in warmteverliesberekeningen, in tekeningen en in gesprekken met fabrikanten, en legt ze uit zonder ervan uit te gaan dat de norm opengeslagen op je bureau ligt. Elk begrip staat op zichzelf: je hoeft niet bovenaan te beginnen om er een te begrijpen.
Zoek je de versie voor klanten, dan hebben we een tweede begrippenlijst voor huiseigenaren geschreven - de documenten en begrippen waar een installateur aan het begin van een opdracht naar vraagt.
Basisbegrippen voor installateurs
Warmteverliesberekening
Het ontwerpwarmteverlies van het gebouw: hoeveel vermogen het gebouw in het koudste uur van het jaar nodig heeft om de geplande binnentemperatuur vast te houden. EN 12831-1 noemt deze grootheid zelf de ontwerpwarmtelast (Φ_HL): het warmteverlies door transmissie en ventilatie, plus een eventueel opwarmvermogen, min interne warmtewinst. In de praktijk heet het gewoon het warmteverlies. De uitkomst is een waarde in watt of kilowatt, per ruimte berekend. Alles wat daarna in het project komt - warmteopwekker, radiatoren, legafstand, buffervat - erft de fout ervan. Uitgebreider: warmteverliesberekening: wat is het en wat hangt ervan af.
EN 12831-1
De norm die de methode vastlegt voor het berekenen van het ontwerpwarmteverlies. De geldende uitgave is EN 12831-1:2017. In Nederland rekenen installateurs voor woningen vaak volgens ISSO 51. HeatAlgo rekent met de standaardwaarden uit de informatieve bijlage B van de Europese norm, niet volgens zo'n nationale methode - goed om te weten als je de uitkomsten van twee programma's vergelijkt. De norm steunt op twee andere: EN ISO 6946 voor de bouwdelen en EN ISO 13370 voor de warmteoverdracht via de grond.
Vermogen en energie
Twee verschillende grootheden die steeds worden verward. Vermogen (W, kW) is de vraag op een bepaald moment onder ontwerpomstandigheden en bepaalt de keuze van het toestel. Energie (kWh, kWh per jaar) is het verbruik over de tijd en bepaalt de gebruikskosten. Een warmtepomp van 8 kW en een gebouw dat 12.000 kWh per jaar verbruikt, zijn twee losse feiten; het ene volgt niet uit het andere zonder verdere aannames.
Energielabel
Een document over de jaarlijkse energiebehoefte van een gebouw (kWh/m² per jaar), opgesteld voor formele en vergelijkende doelen (in België: het EPC). Het is geen warmteverliesberekening en vervangt die niet bij het dimensioneren van de installatie. Het is wel vaak een nuttige bron van invoergegevens: het energielabel zelf toont vooral de energieklasse, maar de Rc- en U-waarden van de bouwdelen staan in het opnamerapport van de energieadviseur (in België in het EPC zelf).
Bouwdelen
Bouwdeel
Alles wat een verwarmde ruimte scheidt van iets met een andere temperatuur: buitenmuur, wand naar een onverwarmde garage, vloer onder een onverwarmde zolder, dak, vloer op grond, raam, deur. Elk bouwdeel heeft een eigen oppervlakte, een eigen U-waarde en een eigen temperatuurcorrectiefactor.
U-waarde
Hoeveel watt er per vierkante meter bouwdeel en per kelvin temperatuurverschil verloren gaat, in W/(m²·K). Hét kengetal voor de kwaliteit van een bouwdeel - lager is beter. Berekend volgens EN ISO 6946 uit de lagen: U = 1 / (Rsi + ΣR + Rse).
U-waarde van een buitenmuur
- Massieve baksteen, 38 cm, zonder isolatie1,30
- Dezelfde muur + 5 cm EPS0,50
- Keramisch blok + 12 cm EPS0,24
- Keramisch blok + 20 cm EPS0,16
- Keramisch blok + 30 cm EPS0,11
Warmtegeleidingscoëfficiënt lambda (λ)
Een eigenschap van het materiaal: hoe goed het warmte geleidt, in W/(m·K). EPS zit rond 0,031-0,045, minerale wol vergelijkbaar, massieve baksteen rond 0,77, gewapend beton rond 1,7. Lambda hangt niet af van de dikte - het beschrijft het materiaal, niet de laag. Fabrikanten geven het op in de prestatieverklaring.
Warmteweerstand R
De weerstand van een materiaallaag, in m²·K/W, berekend als R = d / λ, met d de dikte in meters. 20 cm EPS met λ = 0,040 geeft R = 0,20 / 0,040 = 5,0 m²·K/W. De weerstanden van de lagen tellen op, en uit die som volgt U. Daarbij komen de overgangsweerstanden: Rsi binnen, Rse buiten.
Van materiaal naar bouwdeel
Materiaal
λW/(m·K)
Hoe goed het materiaal warmte geleidt. Onafhankelijk van de dikte.
EPS: λ = 0,040
Laag
Rm²·K/W
De weerstand van één laag bij een bepaalde dikte d.
R = 0,20 / 0,040 = 5,0
Bouwdeel
UW/(m²·K)
Het hele bouwdeel: alle lagen plus de overgangsweerstanden.
U = 1 / 6,23 = 0,16
Koudebrug
Een plek waar warmte sneller ontsnapt dan door het omliggende vlak: een hoek, een ringbalk, een latei, een balkonplaat, een raamdag, een doorbreking van de constructie. Lineaire koudebruggen worden beschreven met Ψ (psi) in W/(m·K), puntvormige met χ (chi) in W/K.
De methode van EN 12831-1 § 6.3.2.2 rekent ze mee als een toeslag ΔU_TB op de U-waarde van elk bouwdeel, afhankelijk van de kwaliteit van de detaillering: ongeveer 0,02 W/(m²·K) voor een gebouw met goed opgeloste details, 0,05 voor een standaardgebouw, 0,10 voor een renovatie, 0,15 voor een gebouw met slechte details. De gedetailleerde methode Ψ·L·ΔT uit bijlage C vraagt een detailcatalogus voor elke aansluiting.
Hoe beter een gebouw is geïsoleerd, hoe groter het aandeel van de koudebruggen in het totale verlies, omdat het deel door de bouwdelen zelf kleiner wordt. Koudebruggen negeren is in nieuwbouw een grotere fout dan in een oud huis.
Waar een koudebrug ontstaat en wat ze kost
Toeslag ΔU_TB naar kwaliteit van de details (EN 12831-1, bijlage B.2.1): (W/(m²·K))
- Goed opgeloste details0,02
- Standaard0,05
- Renovatie0,10
- Slechte details0,15
Temperatuurcorrectiefactor b_u
Een factor die meeneemt dat niet elk bouwdeel aan buitenlucht grenst. Voor een buitenmuur is b_u = 1. Voor een wand naar een onverwarmde garage, een vloer onder een onverwarmde zolder of een vloer op grond ligt b_u onder 1, omdat het temperatuurverschil kleiner is. Standaardwaarden staan in bijlage B.2.4; je kunt ook b_u = (θint - θu) / (θint - θe) gebruiken met de aangenomen temperatuur van de aangrenzende ruimte.
Ontwerpomstandigheden
Ontwerpbuitentemperatuur (θe)
De temperatuur waarvoor het warmteverlies wordt berekend - niet de laagste ooit gemeten, maar een statistische waarde voor de locatie. HeatAlgo heeft de klimaatzones van de Poolse norm aan boord, van -16 °C (Szczecin) via -18 °C (Gdańsk, Wrocław, Poznań) tot -20 °C (Warschau, Krakau, Łódź, Katowice); voor een andere locatie vul je de ontwerpbuitentemperatuur zelf in. Dezelfde waarde moet in de hele keten gelden: in de warmteverliesberekening, bij het dimensioneren van de warmteopwekker en in de documentatie.
Klimaatzone
De indeling van een land in gebieden met dezelfde ontwerpbuitentemperatuur. Het praktische gevolg: bij 20 °C binnen is het verschil tussen -16 °C en -20 °C ongeveer 11 % van het warmteverlies, en dat is vaak een hele vermogensklasse van het toestel.
Ontwerpbinnentemperatuur (θint)
De temperatuur die de installatie in een bepaalde ruimte moet vasthouden. Niet één waarde per gebouw: een woonkamer, een badkamer en een garage hebben elk een andere waarde, en het verschil tussen aangrenzende ruimtes drijft een warmtestroom tussen hen, die ook in de berekening meetelt.
Ventilatievoud (n)
Hoe vaak per uur het hele luchtvolume van een ruimte wordt ververst, in h⁻¹. De berekening neemt de grootste van twee waarden: het hygiënische minimum dat volgt uit het gebruik van de ruimte (0,5 h⁻¹ voor verblijfsruimtes in woningen volgens tabel B.7) en de infiltratie die volgt uit de luchtdichtheid van het gebouw.
n50 en blowerdoortest
n50 is het ventilatievoud bij een opgelegd drukverschil van 50 Pa, gemeten met een blowerdoortest. De norm neemt de ontwerpinfiltratie aan als ongeveer 0,1 × n50 en beveelt voor woningen n50 ≤ 3 h⁻¹ aan. Gangbare waarden: ongeveer 1,0 voor een zeer luchtdicht gebouw, 3,0 voor een gemiddelde nieuwbouwwoning, 6,0 voor een lek of ouder gebouw.
Transmissieverlies en ventilatieverlies
Twee losse stromen waaruit het warmteverlies van een ruimte bestaat. Transmissie is de warmte die door de bouwdelen ontsnapt, berekend uit U, oppervlakte en temperatuurverschil. Ventilatie is de warmte die verloren gaat met de lucht die met buiten wordt ververst, berekend uit het ventilatievoud en het volume van de ruimte. Hun verhouding laat zien wat de moeite waard is om te verbeteren: in een goed geïsoleerd gebouw kan ventilatie de overhand hebben, en dan helpt extra isolatie weinig.
Opwarmvermogen (Φ_hu)
Extra vermogen om een ruimte na een verlagingsperiode weer op temperatuur te brengen - van belang bij installaties met nachtverlaging. Berekend uit de vloeroppervlakte en het specifieke opwarmvermogen (§ 6.3.4). De norm merkt op dat het in veel gevallen niet nodig is.
Installatie en warmteopwekker
Monovalente dimensionering
De warmtepomp dekt de hele vraag van het gebouw alleen, ook in het koudste uur van het jaar. Eenvoudiger, maar het leidt meestal tot een groter en duurder toestel dat de rest van het stookseizoen in deellast draait.
Bivalentiepunt
De buitentemperatuur tot waar de warmtepomp alleen werkt; daaronder neemt een elektrisch element of een tweede warmteopwekker het over. De bijverwarming dekt alleen het deel van het seizoen onder dat punt, en alleen het verschil tussen de vraag en het vermogen van de warmtepomp, en is daarom maar enkele procenten van de jaarlijkse energiebalans - daarom maakt een bivalentiepunt dat een paar graden hoger ligt een merkbaar kleiner toestel mogelijk, tegen een beetje elektrische bijverwarming. Een bivalentiepunt heeft alleen zin als het boven de ontwerpbuitentemperatuur ligt.
Het bivalentiepunt ligt waar twee lijnen elkaar kruisen
COP en SCOP
De COP is het rendement op een bepaald moment: hoeveel kilowatt warmte de warmtepomp per kilowatt stroom levert, onder bepaalde omstandigheden (buitentemperatuur en aanvoertemperatuur). De SCOP is het seizoensrendement, gemiddeld over het stookseizoen. Een catalogus-COP bij A7/W35 en de echte SCOP van een installatie die radiatoren op 55 °C voedt, zijn totaal verschillende getallen. Een te grote warmtepomp pendelt in deellast, en dat drukt de echte SCOP.
Aanvoertemperatuur en ΔT
De aanvoertemperatuur is de temperatuur van het water dat de installatie in gaat; de ΔT is het verschil tussen aanvoer en retour. Vloerverwarming draait meestal op 30-40 °C met een ΔT rond 5 K, radiatoren op 45-70 °C met een ΔT rond 10 K. Elke graad lagere aanvoertemperatuur verhoogt het rendement van de warmtepomp - daarom is de aanvoertemperatuur een uitkomst van het ontwerp en geen knop die je op de bouwplaats instelt.
Stooklijn
Het verband tussen aanvoertemperatuur en buitentemperatuur, geprogrammeerd in de regeling van de warmteopwekker. Hoe kouder het buiten wordt, hoe hoger de installatie de aanvoer zet. Een te steile stooklijn betekent oververhitting en een onnodig slechte COP; een te vlakke betekent te weinig warmte in een koude periode.
Flowmeter en de instelwaarde
De flowmeter op de verdeler van de vloerverwarming toont het debiet door een groep, meestal in l/min. De instelwaarde is het debiet dat je erop instelt. Het punt: groepen verschillen in lengte en belasting, dus zonder waterzijdig inregelen neemt het water de kortste weg, en de langste groep verwarmt haar ruimte nooit goed. De instelwaarden komen uit de hydraulische berekening, niet uit het gelijk verdelen van het debiet.
Legafstand
De hart-op-hartafstand tussen naast elkaar liggende buisbanen van een vloerverwarmingsgroep, meestal 10-30 cm. Een kleinere legafstand betekent meer vermogen per vierkante meter bij dezelfde aanvoertemperatuur - daarom wordt hij verkleind in randzones, bij ramen en in badkamers.
Aanvoerleiding
Het stuk leiding van de verdeler tot het punt waar het eigenlijke legpatroon van de groep begint. De aanvoerleiding geeft onderweg warmte af en telt daarom mee in de lengte en de hydraulische weerstand van de groep.
Slakkenhuis en meander
Twee legpatronen voor een vloerverwarmingsgroep. Het slakkenhuis legt aanvoer- en retourbanen om en om naast elkaar en houdt zo de vloertemperatuur gelijkmatig. De meander legt de buis in rijen heen en weer - eenvoudiger te leggen, maar het laat een duidelijk verloop vanaf de aanvoerkant achter. In verblijfsruimtes is het slakkenhuis de standaard; de meander past bij randzones en smalle ruimtes.
Twee manieren om een groep te leggen
Slakkenhuis
Aanvoer en retour wisselen elkaar naast elkaar af, zodat de vloertemperatuur gelijkmatig blijft. De standaard in verblijfsruimtes.
Meander
De buis loopt in rijen heen en weer - eenvoudiger te leggen, maar het laat een duidelijk verloop vanaf de aanvoerkant achter. Past bij randzones en smalle ruimtes.
Buffervat en open verdeler
Een buffervat is een voorraad cv-water die de warmtecapaciteit van de installatie vergroot, de looptijden van de warmteopwekker verlengt en pendelen beperkt. Een open verdeler (in België: evenwichtsfles) ontkoppelt het opwekkercircuit van het afgiftecircuit, zodat de pompen niet om het debiet vechten; de inhoud ervan is te verwaarlozen. Twee verschillende onderdelen voor twee verschillende problemen, ook al halen catalogi ze vaak door elkaar.
Begrippen die het vaakst worden verward
Vier paren om uit elkaar te houden
Vermogen (kW)
De vraag op een bepaald moment onder ontwerpomstandigheden. Bepaalt de keuze van het toestel.
Energie (kWh)
Verbruik over de tijd, meestal over een jaar. Bepaalt de gebruikskosten.
Uit het vermogen volgt geen verbruik en uit het verbruik geen vermogen - niet zonder verdere aannames over klimaat en gebruik.
Lambda (λ)
Een eigenschap van het materiaal, W/(m·K). Onafhankelijk van de laagdikte.
U-waarde
Een eigenschap van het hele bouwdeel, W/(m²·K). Hangt af van elke laag en haar dikte.
De weg loopt van het ene naar het andere: R = d/λ per laag, dan U = 1 / de som van de weerstanden.
Warmteverliesberekening
Het ontwerpvermogen van het gebouw volgens EN 12831-1, per ruimte.
Energielabel
Jaarlijkse energiebehoefte, kWh/m² per jaar, voor formele doelen.
Een energielabel kan een goede bron van invoergegevens voor de berekening zijn, maar vervangt haar niet.
Buffervat
Een voorraad die de warmtecapaciteit van de installatie vergroot. Beperkt het pendelen van de opwekker.
Open verdeler
Ontkoppelt het opwekkercircuit van het afgiftecircuit. Inhoud te verwaarlozen.
Een open verdeler vervangt geen buffervat als het probleem pendelen is, en een buffervat lost geen conflict tussen pompen op.
Waar deze begrippen in HeatAlgo voorkomen
De module voor de warmteverliesberekening rekent per ruimte volgens EN 12831-1:2017 en toont bij elke ruimte de verdeling over transmissie, koudebruggen en ventilatie - en bij elk bouwdeel de lagen waaruit de U-waarde komt. De warmtepompmodule leest die resultaten direct en werkt met dezelfde ontwerpbuitentemperatuur. De vloerverwarmingsmodule meet de groepslengtes uit de echte geometrie van de tekening, inclusief buigstralen en aanvoerleidingen.
Meer materiaal vind je in de hulp.
Gratis account aanmakenDe app is in het Engels.
